• Donderdag, 19 Oktober 2017
  • 29 Tishri, 5778

Likoed Nederland

De vergeten onderdrukking van de Joden onder de Islam

Vrijdag, Oktober 26, 2012 / Last Modified: Maandag, Oktober 29, 2012

Door Elliot A. Green. Vertaling: Brabosh.dhimmies

 

Joden en zionisten zijn in het algemeen zeer slecht op de hoogte van de leefomstandigheden van de Joden in het Land van Israël na de Arabische verovering [634-640 na Chr.]. Velen geloven dat het Arabische-islamitische bestuur gunstig was voor de Joden en dat niet enkel vergeleken met de omstandigheden in de christelijke landen.

Velen menen dat tot zelfs enkele decennia terug, dat het conflict met de Arabieren over het land van Israël een zuivere kwestie was van concurrerend nationalisme. Echter, sinds de relatief weinig succesvolle bomaanslag in 1993 op het World Trade Center in New York door jihad fanatici, is het geïnformeerde publiek in het Westen zich meer bewust geworden van de machtige islamitische religieuze dimensie in de Arabische politiek.

Dit inzicht wordt versterkt door de opkomst van Hamas bij de Palestijnse Arabieren. De Hamas is een tak van de Moslim Broederschap. Het charter is duidelijk een Judeofobisch document en is gebaseerd op middeleeuwse Judeofobische islamitische bronnen.

Het is niet alleen anti-Israël. Artikel 7 van het handvest van Hamas (1988) herhaalt de middeleeuwse islamitische fabel over de Joden op het einde der dagen, die ik samenvat:

“Op de Dag des Oordeels, zullen de moslims tegen de Joden vechten die zich zullen verbergen achter rotsen en bomen. De rotsen en bomen zullen roepen: O moslim, een Jood verbergt zich achter mij. Kom hier en doodt hem.”

In dit artikel wordt eerst de status van niet-moslims – dhimmi’s genoemd – geschetst in de islamitische samenleving, en proberen we de aard van de islamitische tolerantie te definiëren. Dan zullen we het verslag citeren van een middeleeuwse Jood over de leefomstandigheden van de Joden in de middeleeuwse islamitische samenleving.

Wij brengen ook de mening van een beroemde middeleeuwse Jood die de status van de Joden in de islam vergelijkt met die in het christendom. Tot slot zullen we laten zien dat in het kader van de dhimmitude, de status van dhimmi die gedeeld wordt door Joden, christenen en andere niet-moslims, de Joden in feite aan de onderkant van de maatschappij leefden, de minste van allemaal op de totempaal genageld van de Arabisch-islamitische samenleving, zowel in Jeruzalem als overal elders.

 

Leven als dhimmies in de Arabische moslimwereld

Boeken, artikelen en verzamelingen documenten van Bat Ye’or, Norman Stillman en anderen, hebben veel gedaan sinds het begin van 1970 om de aard van de dhimmi-status aan te tonen, de dhimma – voor het intelligente lezerspubliek -, en hebben gewezen op de positie van de Joden onder de islam. Bovendien werd de afgelopen decennia een brede stroom van informatie over de islam beschikbaar voor het grote opgeleide publiek, hoewel islamitische apologeten eveneens floreerden, misschien zelfs nog beter. Christenen, Joden (met inbegrip van de Samaritanen) en aanhangers van het zoroastrisme waren in het Midden-Oosten gedoemd tot het dhimma leven en deze status werd later verder naar het oosten uitgebreid tot de Hindoes.

Getolereerde niet-moslims in het land dat veroverd werd door de islam – de dhimmis – moesten een bijzondere belasting betalen, de djizja, hetzij direct uit eigen zak of via hun religieus-etnische gemeenschap. De reden voor deze verplichte bijdrage is in de islamitische wetgeving te vinden in de koran [soera 9:29 i]. De djizja kan worden beschouwd als een licentie voor een extra levensjaar tot de tijd was gekomen voor de volgende aanbetaling. In de gebieden die door de islam werden veroverd, bekeerden vele Joden en christenen zich tot de islam om aan de djizja te ontsnappen en om zich maatschappelijk te verbeteren. Koran 9:29 en 2:61 eisen tevens dat niet-moslims, met name Joden en christenen – de mensen van het Boek – moeten ‘onderworpen’ worden, dat wil zeggen: vernederd worden.

De Islamitische samenleving heeft deze regels van de dhimma door de eeuwen heen ontwikkeld. Met het Pakt van Omar II (circa 717 na Chr.) werd een verdrag opgesteld dat volgens de traditie werd opgesteld door de tweede kalief, Umar ibn al-Khattab voor de ‘Mensen van het Boek’ die woonden in gebieden die kort daarvoor door de moslims waren veroverd. Deze niet-moslims, die dhimmi’s genoemd werden, moesten zich onderwerpen aan enkele discriminerende regels indien ze zich niet wilden bekeren tot de islam.

Deze verordeningen bepaalden dat dhimmi geen wapens mochten dragen. Hun kleding moest afwijken van islamitische kleding. Ze moesten altijd respect en eerbied tonen voor moslims, zoals van hun ezels afstappen wanneer ze een moslim kruisten op de weg. Het getuigenis van een dhimmi in de rechtbank was maar half zoveel waard als het getuigenis van een moslim.

Deze lijst is verre van volledig en natuurlijk varieerden de toepassing van de regels als naargelang de tijd en plaats. Later, wanneer de macht van de islamitische staten verzwakte, konden niet alle regels worden afgedwongen. Zo konden dhimmi bergbewoners vaak veel van de regels negeren zolang ze maar weg bleven uit de islamitische steden. Het is veelzeggend dat de status van dhimmi in de loop van de tijd verergerde naarmate hun aantal tot de bevolking daalde.

 

Egypte

Hier is een illustratie van een van de dhimma vernederingen zoals ze tijdens zijn reis naar Egypte, Arabië en Syrië (1761-1762) beschreven werden door de Deense reiziger, Carsten Niebuhr (1733-1815):

“In Cairo mogen christenen en Joden geen paard bereiden. Ze mogen alleen op ezels rijden en moeten afstappen van zodra ze een Egyptenaar op de weg tegenkomen, zelfs de minst belangrijke. De Egyptenaren gaan nooit naar buiten tenzij op een paard, voorafgegaan door een brutale dienaar die, gewapend met een grote knuppel, de man op de ezel waarschuwt respect te tonen voor zijn meester door uit te roepen: “Ongelovige, afstappen!…”

Niebuhr bezocht Egypte bijna vier decennia voor Napoleon, dat opmerkelijk is omdat de late Edward Said aanvoerde dat gelijkaardige verslagen die opgemaakt werden na de expeditie van Napoleon, ongeldig werden verklaard omdat zij besmet waren door het imperialisme.

Moshe Gil (° 1921) heeft rekeningen gevonden – in de Geniza documenten in Caïro – van Joden in Jeruzalem die werden uitgeperst om de djizja en andere belastingen in de pre-kruistochten periode bijeen te brengen. Zoals dit:

“… en de levende mens werd garant gemaakt voor de doden en hij die bleef – moest voor degene die waren weggelopen, daarna een extra belasting te betalen. En als je zag wie al dat geld betaalde zou u geschrokken zijn, hen beklagen en over hen zeggen: “Hoe kan een dergelijk grote onesh [Hebreeuws woord hier in de zin van ongewone geldboete of afpersing] afkomstig zijn van die arme mensen?”

Jacob Barna’i heeft in de administratie van de Joodse gemeenschap van Jeruzalem van het einde van de 18de eeuw, verslagen gevonden die verrassend soortgelijke situatie onthullen zoals die door Gil werden gevonden van de tijd vóór de kruistochten. Niet alleen moesten Joden de djizja betalen aan de Ottomaanse staat, maar daarnaast ook een reeks van niet-officiële heffingen, belastingen, afpersingen en verplichte steekpenningen aan de plaatselijke islamitische notabelen en aan sterke mannen.

Nu, in tegenstelling tot wat veel Joden en andere mensen tot nog toe geloven, waren de leefomstandigheden in de islamitische landen vaak slechter voor de Joden dan onder het Christendom. Tenminste dat was de mening van de grote Joodse filosoof Moses ben Maimon beter gekend als Maimonides (1135-1204), die uit Spanje was gevlucht als gevolg van de vervolging door een fanatieke moslim sekte en in Egypte strandde als een Joodse leider en arts onder de beroemde sultan Ṣalāḥ ad-Dīn Yūsuf ibn Ayyūb, in het westen bekend als sultan Saladin. Hij schreef in zijn beroemde Brief aan Jemen:

“[als straf] heeft God ons in het midden van dit volk – de Arabieren – geslingerd, die ons zwaar vervolgden en een verderfelijke en discriminerende wetgeving tegen ons maakten… Nooit heeft een natie ons zo gemolesteerd, gedegradeerd en vernederd en ons meer gehaat dan zij.”

Maimonides was in correspondentie met veel Joden die uit Europa naar India waren gevlucht, en kende de leefomstandigheden in de verschillende plaatsen. Hier bedoelt hij dat in de islamitische samenleving in de regel Joden slechter behandeld werden dan in de christelijke samenleving. De volgende vraag die zich stelt is of de Joodse en christelijke dhimmi’s onderling gelijk waren in hun inferioriteit ten aanzien van de islamitische samenleving, en zo niet, wie waren dan in de superieure positie.

 

Minderwaardig

Dr. Prof. Moshe Sharon, een gerespecteerde Israëlische historicus van de islam, stelt dat het feit dat de Koran de Joden bestempeld als de vijanden van de moslims, in vele opzichten hun lagere status in vergelijking met de christenen institutionaliseerde.

De 9e eeuw islamitische schrijver al-Jahiz beweerde:

“… de harten van de moslims zijn gehard in de richting van de Joden, maar geneigd in de richting van de christenen.” Hij wees erop dat “in zijn tijd de Christenen zowel sociaal als economisch beter af waren dan de Joden.” Hij verklaarde dit door het politieke verzet van de Joden van Medina tegen Mohammed. Carlo Panella concludeerde: “De Joden stonden op de laagste trede van de maatschappelijke ladder …” in de islamitische samenleving.

De Italiaanse historicus van de islam, Francesco Gabrieli, schreef dat wanneer “de naam ‘Yahudi‘ [= Jood] uit de mond van de moslims komt, dezelfde geur van vijandige minachting voor de Joden verspreidt zoals de term ‘Jood’ dat deed in de Westerse wereld, en vijandiger en smalender klonk dan dat van de bijnaam ‘Nasrani‘ [= christen].” Net zoals al-Jahiz, Gabrieli en Panella wordt dit in het geheugen van de moslims uitgelegd als gevolg van de politieke weerstand van de Joden van Medina tegen Mohammed.

Deze Joodse sociale minderwaardigheid werd niet enkel bevestigd door de middeleeuwse Arabier al-Jahiz uit Bagdad maar door een Turk geciteerd zoals werd aangehaald door Bernard Lewis. Die 19de eeuwse Turk verwees naar een aantal Grieks-orthodoxe onderdanen in het Ottomaanse Rijk die de Ottomaanse hervormingen voor meer gelijkwaardigheid in het midden van de 19de eeuw betreurde. Hieruit blijkt dat de status van de Ottomaanse Christenen superieur werd geacht aan die van de Joden:

“… Terwijl in vroegere tijden, in het Ottomaanse Rijk, de gemeenschappen werden gerangschikt met eerst de moslims, dan de Grieken [Grieks-orthodoxen], dan de Armeniërs en dan de Joden, worden ze nu allen op hetzelfde niveau geplaatst. Sommige Grieken maakten bezwaar en zegden: “De overheid heeft ons samen met de Joden gezet. Wij waren best tevreden met de suprematie van de islam.”

Een Britse gezant bevestigde deze rangschikking. Sir John Bowring (1792-1972) was in 1830 in Libanon en Syrië (in de omgeving van Israël), kort voor de eerste van de Ottomaanse hervormingen van 1839 van kracht werden. Muhammad Ali (1769-1849) van Egypte, die op dat ogenblik met de Ottomaanse heersers in conflict lag over de heerschappij van de Levant, had al grotere gelijkheid tussen moslims en dhimmi’s ingevoerd in zijn gebieden. Bowring merkte op dat:

“De Muzelmannen… betreuren ten zeerste het verlies van dat soort van superioriteit die ze allen en individueel uitoefenden over en tegen de andere sekten… een muzelman… gelooft en onderhoud dat een christen – en een Jood nog meer… minderwaardig zijn aan zichzelf.”

Hoewel de situatie van de Joden zich enigszins zal verbeteren onder het bewind van Muhammad Ali in de Levant.

 

De leefomstandigheden van de Joden in Jeruzalem onder Islamitische heerschappij

De leefomstandigheden van de Joden vormen misschien een uitzondering [vergeleken met de algemene verbetering van niet-moslims] en er kan niet van worden gezegd dat ze verbeterd waren in vergelijking met die van de andere sekten. De hierboven aangehaalde citaten en de autoriteiten hebben voldoende aangetoonde dat in het algemeen de Joden op de bodem van het vat leefden in de Arabische-islamitische samenleving. Daaruit zou logischerwijze moeten volgen dat de Joden ook op de bodem van het vat leefden in het Jeruzalem onder islamitische heerschappij. Hoedanook moet en kan dit worden aangetoond door bronnenmateriaal.

Tegen het einde van de heerschappij van de Mamelukken – die duurde van de Mongoolse terugtrekking in 1260 tot aan de Ottomaanse verovering in 1517 – leefde er in het Franciscaner klooster in Jeruzalem een monnik genaamd Francesco Suriano (Venetië, 1450-1529) voor zowat vijfentwintig jaar lang. Gedurende zes jaar was hij in opdracht van zijn orde de Custos Terrae Sanctae of Voogd van het Heilige Land. Dat wil zeggen, dat hij de hoogste westerse christelijke ambtenaar was in het Land van Israël, die door de paus belast werd met het toezicht op rooms-katholieke belangen in de christelijke heilige plaatsen en kerkelijke zaken in het land en hulp te bieden aan katholieke pelgrims. Hij hield niet van moslims maar hij wist goed te waarderen hoe zij de Joden behandelden. Hij beschreef hoe ze de Joden in Jeruzalem behandelden als volgt:

“Als je wilt weten hoe deze honden van Joden worden gestampt, geslagen en mishandeld, zoals ze dat verdienen gelijk welk ander ongelovig volk, is dit gewoon het juiste gebod van God. Ze leven in dit land in een dergelijke staat van onderwerping dat die met geen woorden valt te beschrijven… daar in Jeruzalem, waar ze de zonde begaan hebben waardoor ze verspreid werden over de hele wereld [dwz, de Kruisiging van Christus], worden ze door God gestraft en lijden ze meer dan in enig ander deel van de wereld. En daar ben ik lange tijd getuige van geweest….

Geen ongelovige [= moslim] zou een Jood met zijn handen durven aanraken omdat hij onrein is, maar als ze zin hebben om hen te slaan, doen ze hun schoenen uit en slaan ze hen op hun baarden en snorren; de grootste fout en belediging voor een man is hem een Jood te noemen. En het is een achtenswaardige zaak dat de moslims geen Jood aanvaarden tot hun geloof, tenzij hij eerst christen is geworden…

En als ze niet werden gesubsidieerd door de Joden van het christendom, zouden de Joden die in Judea wonen omkomen van de honger zoals honden.”

Het Ottomaanse Rijk lijkt de status van de Joden in Jeruzalem zich te hebben verbeterd, maar dit gebeurde zeer tegen de zin van de lokale moslims. Niettemin, “Lagen de prijzen van de djizja, de bijzondere taks die de Joodse gemeenschap aan de moslims moesten betalen… gemiddeld iets hoger dan die van de [Grieks-] Orthodoxen.”

Ongeveer 300 jaar na Suriano, constateerde de grote Franse schrijver François-René de Chateaubriand (1768-1848) dat de Joden nog steeds op de bodem van het sociale vat leefden. Hij bezocht in 1806 Jeruzalem en schreef er later dit over:

“De speciale doelgroep van alle minachting [dwz. van zowel moslims als christenen], zij buigen hun hoofden zonder morren; zij lijden onder alle beledigingen zonder dat zij opkomen voor hun rechten; zij laten zich verpletteren en omver blazen… dringt de woningen van deze mensen binnen, waar u ze zal aantreffen in de verschrikkelijkste armoede…

Niets kan voorkomen dat ze hun blik naar Zion keren. Als men de Joden ziet die verspreid leven over de hele wereld,… is men waarschijnlijk verbaasd, maar wil men met bovennatuurlijke verstomming worden geslagen, moet men noodzakelijk eerst zien hoe ze in Jeruzalem leven… deze rechtmatige eigenaren van Judea, als slaven en vreemdelingen in hun eigen land. Men moet ze zien onder alle onderdrukking, in afwachting van een koning die ooit komen zal om hen te verlossen.”

Toch stonden niet alle christenen in Jeruzalem te popelen om de Joden te haten. Neophytos was een Grieks-orthodoxe monnik die behoren tot de Broederschap van het Heilige Graf, die de belangen regelde van de Orthodoxe Kerk in Jeruzalem. Een inwoner van Cyprus die al vele jaren leefde in Jeruzalem, toonde een zekere sympathie of medelijden met de Joden, voor alle zekerheid niet te overdreven. Neophytos had zelf geleden onder de vervolging en bedreiging van zijn eigen gemeenschap tijdens de Griekse opstand tegen het keizerrijk, tot de Grieks-Orthodoxen in Jeruzalem grote sommen betaalde – inclusief gouden religieuze objecten – aan de lokale Arabisch-Islamitische notabelen om een bloedbad te vermijden uit wraak voor de Griekse opstand van de jaren 1820.

De relatieve grootmoedigheid van Muhammad Ali beschrijvende tegenover de dhimmi gemeenschappen, nadat hij de Islamitische opstand – door de Ottomanen gesteund – tegen hem in 1834 in Israël had neergeslagen, merkte Neophytos op dat deze grootmoedigheid zich ook naar de Joden uitstrekte. Onder de Ottomaanse heerschappij, zoals hij uitlegt, durfden zij niet eens de toestemming te vragen om hun synagogen te repareren:

“Als we op de kwestie van de reparaties aankomen, moeten we iets zeggen over de Joodse Synagoge. Amper een jaar geleden, en de liberale bepalingen van Mehemet Ali Pasha [Muhammad Ali] en Ibrahim Pasha [zijn zoon, generaal en afgevaardigde] in ogenschouw genomen, durven zij weer te spreken over hun synagoge. Ze vroegen dat hun Huis van Gebed, dat in een vervallen staat verkeert en op het punt staat ineen te storten, kan worden gerepareerd. Dus, diegenen die niet eens durfden om een tegel op het dak van de synagoge te vervangen, kregen daar nu de toestemming voor en een decreet om te bouwen.”

Neophytos’ woorden “degenen die niet eens durfden,” impliceren de minderwaardigheid van de Joden ten aanzien van de christenen. Dit toont de omvang van de Joodse degradatie aan in de Joodse Heilige stad Jeruzalem.

Het volgende getuigenis over de nederige status van de Joden in de stad komt van niemand minder dan Karl Marx (1818-1883), de grondlegger van het marxisme, en het is alleszins een verrassend getuigenis. In zijn rapport in de New York Daily Tribune van 15 april 1854 over het ontstaan van de Krimoorlog (1853-1856), beschrijft Marx de leefomstandigheden in Jeruzalem, waar religieuze rivaliteit gericht op de Kerk van het Heilige Graf, voor de grote mogendheden kon dienen als voorwendsel voor de oorlog:

“De Muzelmannen, die ongeveer een vierde deel van het geheel uitmaken, dat verder bestaat uit Turken, Arabieren en Moren, zijn natuurlijk de meesters in alle opzichten, omdat zij op geen enkele wijze beïnvloed worden door de zwakte van hun regering in Constantinopel. ..

‘Er is niets dat te vergelijken valt met de ellende en het lijden van de Joden in Jeruzalem, waar ze de meest smerige wijk van de stad bevolken, met name Hareth-el-yahoud. In het kwartier van het stortvuil, tussen de Zion en de Moriah waar hun synagogen zijn gelegen – zijn ze voortdurend het mikpunt van onderdrukking en intolerantie door de muzelmannen, beledigd door de Grieken en vervolgd door de Latijnen…”

Merk op dat Joden zowel door de christenen in de stad werden vernederd alsook door de moslims. Voor de volledigheid: Marx is nooit in Jeruzalem geweest. Zijn verslag van de datum hierboven is vrijwel volledig geciteerd of geparafraseerd uit een boek van de Franse diplomaat en historicus, César Famin. Famin zou Jeruzalem kunnen hebben bezocht, maar zo niet, dan was hij ongetwijfeld zeer goed geïnformeerd over de toestand in de Heilige Stad door collega-Franse diplomaten, verslagen van het ministerie van Buitenlandse Zaken, Franse geestelijken en reizigers.

Hij was gestationeerd in Yassi (Jassy) in Roemenië, dat toen deel uitmaakte van het Ottomaanse Rijk, waar hij een idee van de status van de Joden en christenen had kunnen krijgen in een islamitische staat. Het boek van Famin ‘Histoire de la rivalité et du protectorat des églises chrétiennes en Orient’, gepubliceerd in 1853, sprak van een absolute Joodse meerderheid van de bevolking van Jeruzalem en Marx reproduceerde zijn voorstel voor de splitsing van de bevolking van de stad.

We zullen met onze voorbeelden eindigen bij Gerardy Santine, een Fransman die drie jaren woonde in Jeruzalem in de jaren 1850 en met Felix Bovet, een Franstalige Zwitserse protestantse predikant die een bezoek bracht aan de stad in 1858. Santine benadrukte het gevoel van angst en intimidatie waaronder de inheemse Joden gebukt liepen:

“… de zonen van Israël zijn hier het mikpunt van antipathie en minachting vanwege de andere gemeenschappen… kruiperig en overdreven angstig… Zij wakkeren – eerder dan te ontwapenen – de vijandige gevoelens van de christenen nog wat aan, die blij zijn wraak te nemen door hen [de Joden] te plagen voor hun eigen vrijwillige degradatie ten opzichte van de moslims … de Joden die schuilen onder de vlag van een Europese consul, zijn bijna allen mannen.”

Bovet schreef dat “de Joden nog steeds, tot op vandaag, het meest ellendige deel zijn van de bevolking van de Heilige Stad.” Bovet citeert een Franse bekeerling tot de Islam, die schreef: “de Jood van Jeruzalem leeft maar half, bang als hij is om nauwelijks adem te halen.”

 

Doorwerking naar heden

We hebben hierboven laten zien 1) de staat van onderdrukking, vernedering en economische uitbuiting – de dhimmitude – van Joden en christenen in de traditionele Arabische-islamitische samenleving, 2) dat de status van de Joden onder de Arabische Islam slechter was dan elders (volgens Maïmonides) en 3) de lagere status van de Joden zelfs ten aanzien van de christelijke dhimmi’s in de Arabisch-islamitische samenleving in het algemeen en in Jeruzalem in het bijzonder.

Deze geschiedenis is belangrijk omdat geschiedenis nooit verdwijnt. Wanneer er een leegte ontstaat in de algemene kennis van de geschiedenis in een situatie van nationaal conflict, zouden de vijanden die leegte kunnen opvullen met een valse geschiedenis en uitvinden wat het beste hun doelen en belangen dient. Daarom is het gevaarlijk de geschiedenis te vergeten.

In diezelfde geest onderscheidt zich hier het anti-Israël discours van de professoren Walt en Mearsheimer, dat instemmend geciteerd wordt door de vooraanstaande Britse journalist, Max Hastings:

“… terwijl er geen twijfel over bestaat dat de Joden in Europa slachtoffers waren, werden zij in het Midden-Oosten vaak als daders voorgesteld, niet als slachtoffers dus, en hun belangrijkste slachtoffers waren en zijn nog steeds de Palestijnen.” [uit John J. Mearsheimer en Stephen M. Walt, De Israël Lobby – Uitgeverij Atlas, 2007: ‘Niet wetenschappelijk, smakeloos, antisemitisch…’]

Deze auteurs moraliseren. Zij ontwikkelen de thema’s van schuld en onschuld. Toch is het moeilijk om er zeker van welke die historische periode is die Walt en Mearsheimer bedoelen. Is het de gehele geschiedenis of het heden of een deel van het verleden? De onbepaalde tijd, de insinuatie en het suggestieve in plaats van het specifieke of het expliciete, zijn kenmerken van hun proza. In een andere passage blijkt echter dat ze de Palestijnse Arabieren onschuldig bevinden toen Israël een staat werd.

Een derde morele rechtvaardiging [voor Israël] is de geschiedenis van het Joodse lijden in het christelijke Westen, in het bijzonder … de Holocaust… de Joden hebben sterk geleden onder de afschuwelijke erfenis van het antisemitisme… en Israël’s creatie was een passend antwoord op een lange staat van misdaden. Maar in de rand van de oprichting van Israël werden bijkomende misdaden begaan tegen een grotendeels onschuldige derde partij: de Palestijnen.

Walt en Mearsheimer geven ontwapenend toe dat ‘het christelijke Westen’ de Joden heeft doen lijden. Maar ze pleiten impliciet het Arabisch-islamitische Oosten in het algemeen – en de Palestijnse Arabieren expliciet – vrij dat zij de Joden door de geschiedenis heen schade hebben berokkend, misschien insinuerend dat de Joden zelfs niet aanwezig waren in dat deel van de wereld tot aan de 20ste eeuw. Maar we hebben hierboven aangetoond dat de traditionele Arabische-islamitische samenleving de Joden in Israël en elders hebben onderdrukt, uitgebuit en vernederd. Is het daarom dat de auteurs zich rechtvaardigen zeggend dat de Palestijnse Arabieren ‘grotendeels onschuldig’ zijn ten aanzien van de Joden nadat zij de moderne wereld betraden in het midden van de 19de eeuw?

Vanaf deze tijd – de late de Ottomaanse periode – trad er een verbetering op in de status van de dhimmi, grotendeels dankzij de interventie van de Europese mogendheden. Dit was zelfs meer het geval in Jeruzalem dan op vele andere plaatsen in het Rijk. Toch bestond tijdens de Eerste Wereldoorlog de reële vrees dat de Joden in Israël dezelfde lijdensweg stond te wachten zoals de Armeniërs. In dit verband bracht de Balfour-verklaring en de internationale erkenning van haar principes weer hoop.

Echter, Groot-Brittannië – dat de Joden tijdens het einde van de Ottomaanse periode in het land had beschermd – pleegde verraad aan haar Mandaat dat de Joden een Joods Nationaal Tehuis beloofde en moedigde de Arabische pogroms op de Joden soms nog wat aan. Dat begon in 1920 in Jeruzalem en werd gevolgd door een reeks van Arabische pogroms in 1921, 1929, 1936-39. Het bloedbad en ‘etnische zuivering’ van de oude gemeenschap in Hebron (68 Joden werden gedood en honderden uitgedreven in augustus 1929) wordt nog steeds met bijzondere bitterheid herdacht door de Joden in Israël en in het buitenland. Deze pogroms vonden plaats jaren vooraleer er een staat Israël was.

Het was dan ook geen verrassing dat de Palestijnse Arabische vertegenwoordigers in 1939, dus nog lang vóór de onafhankelijkheid van Israël, van de Britten eisten dat zij een einde maakten aan de Joodse immigratie. Dit gebeurde aan de vooravond van de Holocaust toen nog maar weinig landen bereid bleken om zelfs maar een symbolisch aantal Joodse vluchtelingen in hun landen toe te laten.

De Britten hebben aan deze eis fundamenteel voldaan in het Witboek van voor Palestina van 1939, waardoor zelfs de poort van het internationaal toegewezen Joods Nationaal Tehuis voor de Joodse vervolgden werd gesloten, behoudens dan een symbolisch handvol Joodse immigranten. Vervolgens hebben de Arabische nationalisten, en in het bijzonder dan Haj Amin el-Husseini – de Grootmoeftie van Jeruzalem en de belangrijkste Palestijnse Arabische leider – meer dan rechtstreeks meegewerkt aan de Holocaust. Husseini had er effectief de hand in dat de vrijlating van duizenden Joodse kinderen en andere Joden in het nazi-fascistische gebieden werd voorkomen en dat de Joden in plaats van naar Polen werden gedeporteerd, waar ze in zijn woorden ‘onder actief toezicht’ zouden staan, zijn eufemisme voor de vernietigingskampen.

Het is duidelijk dat wanneer de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties pleitte voor een ‘twee-staten-oplossing’, met name het Verdeelpan van 29 november 1947, dat de Palestijnse Arabieren nauwelijks nog onschuldig kunnen worden genoemd met betrekking tot de Joden. Noch bleken zij achteraf onschuldig. De Arabieren hebben onder leiding van Husseini, de Joden in het hele land aangevallen en vermoord als reactie op de VN-aanbeveling. Hoewel er sinds 1948 veel wordt gepraat over de Arabische vluchtelingen, is dat maar zelden het geval voor de Joodse vluchtelingen in die oorlog. De eerste vluchtelingen in de oorlog die niet konden terugkeren naar hun huizen, waren de Joden die gevlucht waren uit het Shim’on haTsadiq kwartier (in wat nu ‘Oost-Jeruzalem’ heet) op het einde van december 1947. Inderdaad konden duizenden Joden in het hele land niet terug naar huis na de oorlog.

Daarnaast verboden Jordanië en Egypte de Joden om te wonen op de Westelijke Jordaanoever en in de Gazastrook. In alle duidelijkheid: het bleek dat er uiteindelijk minder Arabische vluchtelingen waren dan Joodse vluchtelingen. Er waren aanzienlijk meer Joodse vluchtelingen afkomstig uit de Arabische landen dan Arabische vluchtelingen afkomstig uit Israël. Van het bijna een miljoen Joden in 1948 blijven er vandaag nauwelijks meer dan een paar duizend Joden over in de Arabische landen. De Arabische Liga hebben volgens hun plan hun Joodse bevolking uitgedreven nog voordat het VN-Verdeelplan was opgesteld. Zoveel valt er te zeggen over de zogenaamde Arabische of Palestijns-Arabische onschuld voor of na 1948.

We slaan even de Arabische provocaties, oorlogen en terreur aanslagen uit de jaren 1950 tot de jaren 1980 over en komen we tot wat velen zagen als een nieuw begin van de Arabisch-Israëlische betrekkingen, met name de Oslo-akkoorden van 1993. In tegenstelling tot de hoge verwachtingen, werd de ondertekening van de akkoorden gevolgd door meer terrorisme, zelfmoordaanslagen, schietpartijen vanuit voorbijrijdende wagens enz., een golf van geweld die inging nog vóór Baruch Goldstein in februari 1994 29 Arabieren doodde in Hebron.

Zij gaven de controle over de Arabische steden op de Westelijke Jordaanoever aan de Palestijnse Autoriteit eind 1995 – begin 1996, wat leidde tot een ongekende slachting onder de burgers in Israël. Nadat Netanjahoe minister-president werd, heeft Arafat gelogen over de Israëlische activiteiten naast de Tempelberg (september 1996), door valselijk te beweren dat de Israëliërs een tunnel groeven onder de berg, waardoor een vierdaagse mini-oorlog begon met links en rechts weer aantallen doden aan beide zijden.

Ehud Barak werd premier na Netanyahu en boodt de Palestijns-Arabische zijde ongekende toegevingen aan. Nadat hij het aanbod verwierp, begon Arafat een nieuwe golf van terrorisme die nog steeds voortduurt die begon, nog vooraleer Ariel Sharon de Tempelberg bezocht, alsof al wat Sharon ooit heeft gedaan alles zou kunnen rechtvaardigen van massamoorden, bomaanslagen of de indoctrinatie van de Palestijnse Autoriteit bevolking en dan vooral de kinderen, een cultuur aanbidden van doden en gedood worden, doordrenkt van een dierlijke haat jegens de Joden die op zich al een schending is van het internationaal recht.

Inderdaad is het opzettelijk gebruik van kinderen in de strijd een oorlogsmisdaad. Symbolisch voor de situatie is de toename van het afschieten van dodelijke raketten op willekeurige burgerdoelwitten in Israëlische steden en de boerengemeenschappen sinds de eenzijdige Israëlische terugtrekking uit Gaza in 2005 en nog vóór de gedeeltelijke blokkade van kracht werd nadat Hamas in 2007 de Gazastrook had overgenomen.

Toch houden velen vandaag – zoals Walt, Mearsheimer en ook Max Hastings – nog steeds vast aan de Arabische en de Palestijns-Arabische onschuld. Toch was de bewering van Arabische onschuld, prominent in de jaren 1940 en 1950, hoewel de Palestijnse Arabieren niet dezelfden waren als de ‘Palestijnen’ van vandaag, toen zij als volk apart leefden van de andere Arabieren. In die dagen werd expliciet geargumenteerd dat de Arabische-islamitische behandeling van de Joden in het algemeen goedaardig was, waardoor de vermeende wandaden van Israël in 1948 des te weerzinwekkender werden.

Dat argument werd voor het eerst al lang geleden gebruikt. Het diende om het politieke beleid ten aanzien van Israël en de Arabieren aan te sporen. Het werd altijd als een instrument gebruikt, noch feitelijk, wetenschappelijk of historisch. Het drijft op de algemene publiek onwetendheid van de echte geschiedenis, met name op de onwetendheid onder Joden en zionisten.

Uit het bovenaan gepresenteerde bewijsmateriaal blijkt dat door de geschiedenis heen, deze bewering niet alleen vals is geweest maar zelfs het tegendeel van de waarheid is. Dit vals begrip van de geschiedenis van de betrekkingen tussen Joden en Arabieren in Israël door de eeuwen heen, is wijd verbreid in de academische wereld, in regeringskringen en in de media. De enige manier om leugens te weerleggen is door kennis van de geschiedenis te nemen, vanaf de instelling van de dhimma, van de Joodse geschiedenis, van de Arabische en islamitische geschiedenis, in het bijzonder de geschiedenis van de Joden in het Land van Israël, in alle perioden vanaf de oudheid tot de Middeleeuwen tot aan het begin van de moderne tijd en de laatste tijd, tot aan de laatste Qassam-raket die landde op de stad Sderot.

Onwetendheid van die geschiedenis kan beschouwd worden als een belemmering voor de vrede tussen Israël en de Arabieren.

 

Gerelateerd

 

2 reacties op “De vergeten onderdrukking van de Joden onder de Islam

  1. […] 1889 “Dertigduizend van de 40.000 inwoners van Jeruzalem zijn Joden. Momenteel komen de Joden bij honderden hierheen”. (De Pittsburgh Dispatch, 15 Juli 1889). Dat kwam overigens niet door een goede behandeling, zie: De vergeten onderdrukking van de Joden onder de Islam. […]

  2. […] De vergeten onderdrukking van de Joden onder de Islam. […]

-- Reacties gesloten.