• Dinsdag, 25 April 2017
  • 29 Nisan, 5777

Likoed Nederland

Hitlers droom / De link tussen djihad en Jodenhaat

Zaterdag, November 3, 2007 / Last Modified: Donderdag, Maart 23, 2017

Door Matthias Kuntzel, politicoloog te Hamburg.
Deze week verscheen zijn boek ‘Djihad und Judenhass’ in Engelse vertaling (‘Jihad and Jew-Hatred: Islamism, Nazism and the Roots of 9/11’, Telos Press, New York).

Vertaling Andrea Bosman, Trouw de Verdieping, 3 november 2007.

 

Volgens Matthias Kuntzel heerst in het Westen een ongelooflijke blindheid voor de werkelijke motieven van het islamisme: een diepgewortelde Jodenhaat, mede geinspireerd door nazi-Duitsland. “Niet dat de islamisten hun doelen verbergen. Het probleem is dat het Westen niet luistert.”

Het idee zelfmoordpiloten in te zetten om de wolkenkrabbers van Manhattan te vernietigen ontstond in de jaren veertig in Berlijn. “In de laatste fasen van de oorlog heb ik Hitler nooit uitzinniger gezien, alsof hij in een delirium verkeerde, dan tijdens de momenten waarop hij voor zichzelf en ook voor ons de neergang van New York in torens van vuur verbeeldde”, schreef Albert Speer in zijn dagboek.

“Hij beschreef hoe de wolkenkrabbers in enorme brandende fakkels veranderden en neerstortten, en hoe de uit elkaar vallende stad weerspiegelde tegen de donkere hemel.”

Hitler fantaseerde hoe kamikazepiloten in lichte vliegtuigen, volgeladen met explosieven en zonder landingsgestel, zich in de wolkenkrabbers van Manhattan boorden. De tekeningen voor de Daimler-Benz Amerikabomber uit het voorjaar van 1944 laten reusachtige, viermotorige vliegtuigen zien met verhoogde landingsgestellen om kleine bommenwerpers te kunnen vervoeren. De bommenwerpers zouden losgelaten worden kort voordat de vliegtuigen de Oostkust zouden bereiken, waarna het moedervliegtuig naar Europa terug zou vliegen.

Hitlers extase bij de gedachte aan een brandend Manhattan laat zijn onderliggende motief zien: hij wilde niet alleen vechten tegen een militaire tegenstander, maar alle Joden doden. Bezeten door de veronderstelling dat de hele Wereldoorlog een strijd was tegen een ingebeelde Joodse vijand, veroordeelde hij de VS als ‘Joodse staat’ en New York als het centrum van het wereldjodendom.

“Wall Street”, zoals een populair boek, dat in 1919 in Munchen werd uitgebracht, het stelde, “is zogezegd het militaire hoofdkwartier van Judas. Van hieruit spint hij zijn draden over de hele wereld.”

Vanaf 1941 drong Hitler eropaan de bommenwerpers in productie te nemen, om “in staat te zijn de Joden een les te leren in de vorm van terreuraanvallen op Amerikaanse metropolen”. Tegen het einde van de oorlog was dit idee een obsessie geworden.

Zestig jaar later werd de aanval op het World Trade Center vanuit Duitsland gecoordineerd. Mohammed Atta, de Egyptenaar die het vliegtuig bestuurde dat de noordelijke toren van het World Trade Center raakte, Marwan al-Shehhi, afkomstig uit de Verenigde Arabische Emiraten, die zijn vliegtuig de zuidelijke toren instuurde, Ziad Jarrah uit Libanon, die vlucht 93 van United Airlines bij Shanksville, Pennsylvania liet neerstorten, en hun vrienden Ramzi Binalshibh, een Jemeniet en de Marrokaanse student Mounir al-Motassedeq – zij allen vormden samen een Al-Kaida-cel in Hamburg, waar zij regelmatig ‘Koran-cirkel’-bijeenkomsten met sympathisanten hielden.

Welke ideeen zetten Atta en de anderen aan tot handelen? Getuigen gaven een deel van het antwoord tijdens het eerste aan 11 september gerelateerde proces ter wereld, tegen Al-Motassedeq, dat plaatsvond in Hamburg tussen oktober 2002 en februari 2003. Een deelnemer aan de Koran-cirkel-bijeenkomsten, Sahid Nickerls, verklaarde dat de Weltanschauung van Atta gebaseerd was op een “nationaal-socialistische manier van denken”.

Atta was ervan overtuigd dat de Joden aankoersten op wereldheerschappij en hij beschouwde New York City als het centrum van het wereldjodendom dat vanuit zijn optiek Vijand Nummer 1 was. Medestudenten van Motassedeq, die in hetzelfde studentenhuis woonden, bevestigden dat hij deze opvattingen deelde en dat hij enthousiast rondbazuinde dat er een ‘grote actie’ ophanden was.

Een student citeerde Motassedeq die gezegd zou hebben: “De Joden zullen branden en uiteindelijk zullen we op hun graven dansen.”

Vreemd genoeg hebben noch de Amerikaanse, noch de internationale media veel aandacht besteed aan deze getuigeverklaring. Bovenstaande citaten komen uit het weekblad Der Spiegel en uit de gedetaileerde aantekeningen van Michael Eggers, die elke zitting bijwoonde voor persbureau Reuters. Als dit een proces was geweest tegen een lid van de Ku Klux Klan, of tegen een extreem-rechtse figuur als Timothy McVeigh, de ‘Oklahoma City Bomber’, dan zouden berichten over deze nazi-achtige vernietigingsfantasieen waarschijnlijk wel tot in de krantenkoppen zijn doorgedrongen.

Maar omdat het ging om aanvallers met een Arabische achtergrond, vonden journalisten het blijkbaar irrelevant. Toch was deze Jodenhaat geen gril van de Hamburgse cel. Osama bin Laden zelf zei in 1998: “De vijandschap tussen ons en de Joden gaat ver terug in de tijd en is diepgeworteld. Er is geen twijfel mogelijk dat oorlog tussen ons onvermijdelijk is. [*] Het Uur van Wederopstanding zal niet komen voordat moslims de Joden zullen bevechten.”

Zelfs het rapport over de aanslagen op 11 september 2001 van de National Commission on Terrorist Attacks Upon the United States, verschenen in juli 2004, schiet in dit opzicht tekort. Het hoofdstuk over ‘Bin Ladens visie op de wereld’ maakt geen gewag van zijn Jodenhaat. Deze stilte is des te opmerkelijker omdat de commissie wel documenten aanhaalt waarin Bin Laden op ondubbelzinnige wijze zijn haat tegen Joden uit.

In de ‘Brief aan het Amerikaanse volk’ van november 2002 bijvoorbeeld, waaruit het rapport herhaaldelijk citeert, waarschuwt Bin Laden: “De Joden beheersen jullie media, en beheersen nu ieder aspect van jullie leven, ze maken bedienden van jullie en zullen ten koste van jullie hun doelen bereiken.” Toch slagen de auteurs van het rapport er op wonderbaarlijke wijze niet in de betekenis van deze woorden en de ideologie die erachter steekt te onderkennen.

Het rapport negeert eveneens de geschiedenis van het islamisme. Het wijdt slechts vijf regels aan de gehele periode voor 1945. Maar het is precies in deze periode dat de persoonlijke contacten en ideologische banden tussen het vroege islamisme en het late nazisme ontstonden. Juist toen werd de link tussen Jodenhaat en djihad geboren.

In weerwil van een wijdverbreid misverstand ontstond het islamisme niet in de jaren zestig, maar in de jaren dertig. Het liet zich inspireren door de opkomst van het nazisme. Voor 1951 waren alle campagnes van het islamisme niet tegen het kolonialisme gericht, maar tegen de Joden.

Het was de Moslimbroederschap, opgericht in 1928, dat het islamisme als massabeweging in gang zette. De betekenis van deze broederschap voor het islamisme is vergelijkbaar met die van de bolsjewistische partij voor het communisme; het was en is tot op de dag van vandaag het ideologische referentiepunt en organisatorische hart voor alle latere islamistische groepen, inclusief Al-Kaida en Hamas.

Het is waar dat het Britse koloniale bewind het islamisme heeft voorgebracht, voorzover het zichzelf zag als een verzetsbeweging tegen’culturele moderniteit’.
De islamistische oplossing was de roep om een nieuwe ordening, gebaseerd op de sharia. Maar de djihad van de Moslimbroederschap was niet primair gericht tegen de Britten. Het richtte zich bijna exclusief op het zionisme en de Joden.
Het aantal leden van de broederschap schoot tussen 1936 en 1938 omhoog van 800 tot 200.000. In deze twee jaren voerde de Moslimbroederschap slechts een grote campagne in Egypte: tegen het zionisme en de Joden.

Deze campagne begon met een opstand in Palestina tegen Joodse immigratie, geinitieerd door de beruchte groot-moefti van Jerusalem, Amin al-Hoesseini. De broederschap organiseerde massademonstraties met slogans als ‘Neer met de Joden’ en ‘Joden weg uit Egypte en Palestina’.

In pamfletten werd opgeroepen tot een boycot van Joodse goederen en Joodse winkels. In de krant van de Moslimbroederschap verschenen columns over ‘Het gevaar van de joden van Egypte’, met daarin de namen en adressen van Joodse zakenlieden en verondersteld Joodse krantenuitgevers van over de hele wereld. In die columns werd elke vorm van kwaad, van communisme tot bordelen, aan het ‘Joodse gevaar’ toegedicht. De campagne van de broederschap tegen de Joden gebruikte niet alleen nazi-achtige tactieken, maar, zoals historici aantoonden, ook Duits geld.

Tegelijkertijd was de Moslimbroederschap de eerste moderne organisatie die het archaische idee van een oorlogszuchtige djihad en doodsverlangen propageerde.

De doodscultus, het merkteken van het moderne djihadisme, was vanaf het begin omgeven door Jodenhaat. Sterker nog: deze houding ontsprong niet alleen aan Europese invloeden, hij dreef ook op islamitische bronnen. Islamisten beschouwden en beschouwen Palestina als islamitisch territorium, Dar al-Islam, waar Joden geen enkel dorp mochten besturen, laat staan een staat. Op z’n best zou het land in hun opinie Judenrein moeten zijn; op z’n minst zouden Joden een onderdanige status moeten krijgen.

Islamisten rechtvaardigen hun streven naar het elimineren van de Joden uit Palestina ook door het voorbeeld van Mohammed erbij te halen, die in de zevende eeuw niet alleen twee Joodse stammen uit Medina wegjoeg, maar die ook alle mannen van een derde Joodse stam liet onthoofden. En zij vinden steun en aanmoediging voor hun daden en plannen in de anti-Joodse passages in de Koran.

Na de Tweede Wereldoorlog verschoof het centrum van de Jodenhaat van nazi-Duitsland naar de Arabische wereld. In november 1945, een halfjaar na het einde van het Derde Rijk, voerden de Moslimbroeders de ergste anti-Joodse progroms uit in de geschiedenis van Egypte, toen demonstranten de Joodse wijken van Cairo binnendrongen tijdens de herdenking van de Verklaring van Balfour – het document waarmee de Britse regering in 1917 de plannen voor de oprichting van een Joods Nationaal Tehuis in Palestina ondersteunde.

Huizen en winkels werden geplunderd, niet-moslims aangevallen en synagogen in brand gestoken. Zes mensen vonden de dood, honderden raakten gewond. Een paar weken later openden de islamistische kranten “een frontale aanval op de Egyptische Joden, door ze als zionisten, communisten, kapitalisten en bloedzuigers, als pooiers en oorlogshandelaars door het slijk te halen, of, meer in het algemeen, als subversieve elementen binnen alle staten en samenlevingen”, zoals Gudrun Kramer schreef in haar studie ‘De Joden in Egypte 1914-1952’.

In 1946 zorgde de broederschap ervoor dat aan Heinrich Himmlers vriend Amin al-Hoesseini – de voormalige groot-moefti, die gezocht werd als oorlogsmisdadiger door Groot-Brittannie en de Verenigde Staten – asiel werd verleend en dat hij zicht kreeg op een politieke carriere in Egypte. Van 1941 tot 1945 was hij gestationeerd in Berlijn, vanwaaruit hij de islamitische SS-divisies op de Balkan dirigeerde.

Hij zorgde er persoonlijk voor dat onderhandelingen tegen het eind van de oorlog, die duizenden Joodse kinderen uit de gaskamers hadden kunnen redden, werden geblokkeerd. Dit was allemaal bekend in 1946. Toch zagen Groot- Brittannie en de Verenigde Staten af van strafrechtelijke vervolging van Al-Hoesseini om te voorkomen dat hun relaties met de Arabische wereld verstoord zouden raken. Frankrijk, dat de man vasthield, liet hem met opzet ontsnappen.

Voor velen in de Arabische wereld was de amnestie voor deze prominente islamitische autoriteit een rechtvaardiging van zijn daden. Ze keken met trots naar zijn naziverleden, niet met schaamte. Nazimisdadigers die op de lijst van gezochte personen in Europa stonden, stroomden nu de Arabische wereld binnen.

Het beruchtste schotschrift tegen de Joden , ‘De Protocollen van de Wijzen van Zion’, werd op bevel van twee bekende voormalige leden van de Moslimbroederschap, Gamal Abdel Nasser and Anwar Sadat, in grote oplagen gedrukt.

De gevolgen van deze houding, deze blindheid voor de internationale uitwerking van de Holocaust, hebben nog steeds hun invloed op het Arabisch-Joodse conflict. Hoe verklaren islamisten de internationale steun voor Israel in 1947?
Door het werkelijke lot van de Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog te negeren nemen ze hun toevlucht tot samenzweringstheorieen, waarin de oprichting van de Joodse staat wordt gezien als een Joods geinspireerde aanval door de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie op de Arabische wereld.

Het krankzinnige idee van een wereldwijde Joodse samenzwering, dat in Duitsland sinds 8 mei 1945 wordt onderdrukt, overleefde en bloeide in de politieke cultuur van de Arabische wereld.

Vooral het nazi-achtige complotdenken was hardnekkig. Een treffend voorbeeld van de voortgaande invloed hiervan is het Handvest dat in 1988 door de Palestijnse broederschap, beter bekend als Hamas, werd aangenomen. Hierin definieert Hamas zichzelf als ‘avant-garde’ van de strijd tegen het ‘wereldwijde zionisme’.

De Joden, aldus het Handvest, zaten achter de Franse en communistische revolutie. “Ze zaten achter de Eerste Wereldoorlog, ze zaten achter de Tweede Wereldoorlog, waar ze enorme financiele winsten boekten door de handel in wapens, en waar ze de weg vrijmaakten voor de oprichting van hun staat. Er is geen oorlog gaande waar zij niet de hand in hebben.”

Volgens artikel 32 van het Handvest staat hun plan vervat in de ‘Protocollen van de Wijzen van Zion’, en “hun huidige gedrag is het beste bewijs voor hetgeen we hier zeggen”.

De pure absurditeit van deze beweringen maakt het voor ontwikkelde mensen moeilijk om te geloven dat ook maar iemand ze serieus zou nemen. Toch, deze opvatting over de Joden als de wortel van alle kwaad inspireert nog steeds tot moord op burgers in Israel en het motiveert de vreugde waarmee islamisten  deze moorden begroeten.

Werkelijk verbazingwekkend is pas dat deze islamistische Jodenhaat door westerse analisten, politici en media vaak over het hoofd wordt gezien.

Zie, zoals gezegd, het voornoemde rapport van de National Commission. In plaats van het feit te onderkennen dat de Jodenhaat in de islamitische wereld al lang voor 11 september 2001 epidemische vormen had aangenomen, wekt het rapport de indruk dat het islamisme pas opkwam als antwoord op de recente Amerikaanse en westerse politiek.

De stereotiepe boodschap dat het Westen verantwoordelijk is, wordt herhaald in de analyse van de motieven van Bin Laden. “Bin Ladens grieven tegen de Verenigde Saten zijn misschien ontstaan als directe reactie op specifiek Amerikaans beleid, maar ze werden al snel veel dieper.”

Het rapport slaat hier de plank mis. De leider van Al-Kaida was eerst gepolitiseerd, niet door specifiek Amerikaans beleid, maar door de geschriften van Sayyid Qutb en de djihadistische teksten van Abdoellah Azzam. De uitleg van de commissie over de aantrekkingskracht van Al-Kaida is daarom eenzijdig:
“Terwijl door politieke, sociale en economische problemen licht ontvlambare samenlevingen ontstonden, gebruikte Bin Laden de extreemste fundamentalistische tradities als zijn lucifer.”

Natuurlijk is het waar dat islamisten sociale problemen voor hun eigen doeleinden proberen uit te buiten. Maar het islamisme is geen ideologie die protest doet ontvlammen als het tegen sociale onrechtvaardigheden aanschuurt.

Integendeel, islamistisch geweld wordt juist uitgelokt door elk teken van moderne ontwikkeling in de moslimwereld: wetenschappelijk onderzoek, politieke of persoonlijk zelfbestemming, economische vooruitgang, gelijkheid voor vrouwen, vrijheid van expressie in bioscoop en theater. De radicalisering van de islam is minder het gevolg van armoede en gebrek aan kansen, dan dat het er de oorzaak van is.

Uiteindelijk kan de weigering om de ware motieven van Al-Kaida te onderkennen resulteren in een omkering van verantwoordelijkheden: hoe dodelijker het terrorisme, hoe groter de Amerikaanse schuld.

Het aantrekkelijke van deze benadering schuilt in de schijnbare hoop die ervanuitgaat. Als het zelfmoordterrorisme zijn wortels heeft in de Amerikaanse politiek, dan kan een verandering in die Amerikaanse politiek het terrorisme doen bedaren, evenals de angst die het met zich meebrengt. Ondertussen profiteert Al-Kaida hiervan, want hoe bloediger zijn aanvallen, des te groter de woede jegens de Verenigde Staten.

Een strijd tegen het islamisme zonder kennis van de ideologie verzwakt het Westen. Het toeschrijven van schuld aan Israel en de Verenigde Staten is olie op het vuur van islamistische propaganda en drijft de wig dieper in het westerse kamp in plaats van daar waar hij hoort: in de moslimwereld.

Zulke blindheid is vooral riskant in het geval van het Iraanse nucleaire programma, dat zo gevaarlijk is vanwege de unieke ideologische brij die het bevat: een mix van Jodenhaat, Holocaust-ontkenning en sjiitisch messianisme vormt de context voor Irans streven naar nucleaire wapens en geavanceerde raketten. Hier is het worst case-scenario niet een toename van zelfmoordaanvallen tegen individuen, maar misschien wel een suicidale nucleaire aanval op de staat Israel.

In 1938 in Munchen dachten velen dat ze het probleem met de Sudetenduitsers en Hitler wel konden oplossen zonder na te denken over hoe dit paste in de algehele strategie van de nazi’s. Op precies dezelfde manier worden in besluiten van de VN-Veiligheidsraad de technische aspecten van het nucleaire programma van Iran van hun ideologische context ontdaan.

Het probleem is niet dat de islamisten hun doelen verbergen. Het probleem is dat het Westen niet luistert.

Het belangrijkste verwijt van Osama bin Laden jegens de Amerikanen in zijn ‘Brief aan het Amerikaanse volk’ is dat zij zich als vrije burgers gedragen en hun eigen wetten maken in plaats van de sharia te accepteren.

Dezelfde haat tegen de vrijheid is terug te vinden in de brief van de Iraanse president Mahmoud Ahmadinejad aan de Amerikaanse president. “Zij die inzicht hebben, horen reeds de klanken van het ineenstorten van de ideologie en de gedachten van de liberale democratische systemen.”

Niet de strijd aangaan met de ideologische wortels van het islamisme – en zijn goed gedocumenteerde link met nazi-Jodenhaat – hindert elke westerse aanmoediging van politieke, economische en culturele modernisering in de moslimwereld. Alleen deze modernisering kan de meerderheid van de moslims afscheiden van de islamisten, die bereid zijn te sterven om dit te voorkomen.

Zonder de ideologische wortels van het islamisme aan te pakken is het onmogelijk de moslimwereld te confronteren met de werkelijke keuzen waarvoor zij staat: kiest ze voor leven en hoop, of voor de cultus van de dood? Komt ze op voor individuele en sociale zelfbestemming, of zal ze zich uiteindelijk onderwerpen aan het programma van Jodenhaat en djihad?

 

Kadertekst: Islamitisch antisemitisme, een gevoelige kwestie

De Duitse politicoloog Matthias Kuntzel (1955) kwam maart dit jaar in het nieuws toen de Universiteit van Leeds een lezing van hem plotseling afzegde. Kuntzel had willen spreken over ‘Hitlers erfenis: islamitisch antisemitisme in het Midden-Oosten’. Het universiteitsbestuur gelastte de lezing af na klachten van moslimstudenten. Volgens de universiteit had de afzegging niets te maken met censuur of met aantasting van de academische vrijheid. Het bestuur had gehandeld uit bezorgdheid om Kuntzels veiligheid.

De affaire doet denken aan die rond de Nederlandse judaist prof. dr. Pieter W. van der Horst. In juni 2006 schrapte hij onder druk van het bestuur van de Universiteit Utrecht enkele passages uit zijn afscheidsrede, waarin hij wilde uitweiden over het hedendaagse islamitisch antisemitisme. Ook hier voerde de universiteit aan dat zij slechts bezorgd was om de veiligheid van de spreker.

-- Reacties gesloten.